Tuinen

Het Hospitaal Notre-Dame à la Rose herbergt een prachtige tuin met geneeskrachtige planten waar het aangenaam is om te vertoeven. Beter nog, als u interesse hebt in planten en hun weldaden op het gebied van gezondheid, schoonheid en welzijn, vindt u didactische panelen in de tuin die voor elke plant eigenschappen, indicaties en gebruik weergeven, met telkens een kleine anekdote over de plant ….

Dankzij een audiogids met anderhalf uur uitleg zullen de planten geen geheimen voor u meer hebben. Het museum beschikt eveneens over een mooie rozentuin.

De geneeskrachtige planten- of kruidentuin van het Onze-Lieve-Vrouw met de Roos Hospitaal werd aangelegd volgens het Herbularius-principe. Het gaat om één van de drie onderdelen van de Middeleeuwse tuin, die ook een Hortus (moestuin) en Viridarium (boomgaard) bevatte.

Op het einde van de 8e eeuw stelde Karel de Grote (circa 742 – 814) een wettekst op, de “Capitulare de Villis”, met daarin een lijst van meer dan 73 groenten, vruchten, medicinale planten en bloemen die geteeld mochten worden in de tuinen van zijn keizerrijk. Men onderscheidde het eetbare toen nog niet van het helende, of zoals de befaamde raadgeving van Hippocrates (rond 460 – 370 voor Christus) het stelde: “Laat uw voeding uw medicijn zijn, en uw medicijn uw voeding”. Volgende flora werd onder meer in de lijst opgenomen: anijs, bonenkruid, heemst, munt, peterselie, roos, salie, rozemarijn, ruit, venkel … Religieuze ordes aarzelden niet om de wettekst naar de praktijk om te zetten. Zij kweekten trouwens al langer planten met geneeskrachtige eigenschappen om zieken te verzorgen en zo hun evangelische taak te volbrengen. In het concrete kader van dit welbepaalde autarkische Hospitaal, dienden de geteelde planten om zowel de zustergemeenschap als het gewone volk en de armen te voeden, om de zieken te verzorgen of nog de kapel te versieren.

De signatuurleer, ook wel de leer van de tekenen der natuur genoemd, is heel oud. We kennen haar vooral dankzij de Zwitserse geneesheer Philippus Theophrastus Bombastus von Hohenheim, beter bekend onder de naam Paracelsus (1493 – 1541). Volgens zijn theorie suggereert de analogie tussen enerzijds een deel van het menselijk lichaam en anderzijds de vorm of de kleur van een plant, de helende werking van deze laatste. Net alsof de Schepping bestaat uit verscholen symbolen, opdat diegenen die hen herkennen er ook hun voordeel uit kunnen halen.

Zo is speenkruid, waarvan de knollen doen denken aan aambeien, een vaak voorkomend ingrediënt in zalf tegen die aandoening. Of heeft de grote pimpernel, met haar donkerrode bloemen een uitstekende bloedstollende werking. De grote gouwe gebruikte men tegen geelzucht, want de plant produceert een gele latex (deze stof bleek uiteindelijk giftig en wordt nu niet meer voor deze aandoening gebruikt). De okkernoot illustreert de signatuurleer wellicht het best: de schaal evoceert zo de schedel en de notenpit de hersenhelften met hun ontelbare windingen. Inmiddels weten we dat okkernoten alfa-linoleenzuur (een vetzuur van de familie van de omega-3 zuren) bevatten en dat deze stof nuttig is voor het goed functioneren van de hersenen. Het meest wonderlijke van de signatuurleer is het feit dat ontelbare deducties die men aan de hand van die theorie maakte, ondertussen door de wetenschap zijn gevalideerd.

De ijskelder is gelegen in een verhoogde tuin, de « tuin van Onze-Lieve-Heer » geheten naar het grote polychrome kruisbeeld dat boven de ijskelder prijkt. Zoals vele ijskelders schuilt deze onder een berg aarde, beplant met talrijke bomen en struiken die de ijskelder tijdens de warme zomermaanden van schaduw voorzien. De ingang van de ijskelder is in het noorden (koude wind) gelegen en een trap brengt ons tot een tweede deur (ijskelders hadden minimun twee deuren). De kleine kamer hieronder gelegen, zowat 4m² groot, is de eigenlijke koelruimte, voorzien om verse voedingswaren (vlees, groenten en melkproducten…) te bewaren. De opslag van het ijs gebeurde in de aanpalende enorme cilindrische put. De bakstenen wanden werden met stro bekleed om een betere isolatie te verkrijgen. Het gat in de bodem diende om het smeltwater af te voeren.

In de winter werd het ijs uit de Dender gehaald en heel het jaar opgeslagen in deze indrukwekkende cilinder van conisch toelopend metselwerk. Teksten vermelden, dat er zelfs nog in augustus anderhalve meter ijs overbleef. De ijskelder van het hospitaal was tijdens de Eerste Wereldoorlog in gebruik.

Tussen de gemeenten Deux-Acren, Flobecq en Lessines ligt een streek, die bekend staat voor haar belangrijke productie geneeskrachtige planten. In 1940 bezetten deze planten honderden hectares. Tegelijk ontwikkelt zich een nijverheid die gespecialiseerd is in het verwerken van deze planten (drogen, malen, enz.). De producenten bevoorraden de farmaceutische industrie maar ook het buitenland. De geteelde planten zijn lokale soorten, goed aangepast aan het bodem: kamille, engelwortel, valeriaan en vele anderen.

Scroll naar boven